8.3 Bed & breakfast (Hoofdstuk 8 Toerisme en recreatie)
Voor deze laagdrempelige vorm van nachtverblijf is blijkens jurisprudentie van de Afdeling ondanks het feit dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, een bestemmingsplanregeling of ander ruimtelijk besluit5 nodig. De Afdeling overweegt dat het regelmatig tegen betaling aanbieden van logies en ontbijt in een woning aan een wisselend publiek en voor een korte periode, namelijk een tot enkele nachten, een bedrijfsmatig karakter heeft en daarom in strijd is met een woonbestemming.
Uit het gemeentelijk beleid blijkt dat men bed- en breakfastaccommodaties actief wil faciliteren. Om een en ander in goede banen te leiden zijn wel randvoorwaarden nodig, onder meer om de ondergeschiktheid ten aanzien van de woonfunctie te garanderen.
In paragraaf 5.3 is reeds ingegaan op de mogelijkheden voor agrarische bedrijven om bed- en breakfastvoorzieningen te realiseren als nevenactiviteit. Ook binnen een woonbestemming zouden dergelijke voorzieningen na het verlenen van een omgevingsvergunning mogelijk moeten zijn. De navolgende randvoorwaarden kunnen worden geformuleerd, waarbij wordt opgemerkt dat geen randvoorwaarden worden gesteld ten aanzien van het maximum aantal bed- en breakfastvoorzieningen binnen een bepaald (plan)gebied.
Randvoorwaarden
Op basis van het wettelijk kader en het gemeentelijk beleid kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd:
Er worden maximaal 10 slaapplaatsen per bouwperceel toegestaan, ten behoeve van een gelijktijdig nachtverblijf van maximaal 10 personen.
De slaapplaatsen mogen in hoofdgebouwen en/of bijgebouwen worden gerealiseerd.
De woning waarin de kamers worden gerealiseerd is bewoond door de hoofdbewoner op het moment dat nachtverblijf wordt verstrekt.
De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond.
Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf.
Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd.
Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking.
5ABRvS, 2 juli 2003, LJN AH9034